HOOFDSTUK 39 @BRK#Op de negende verdieping liep om de toren heen een balkon, dat weids uitzicht over het omliggende landschap bood. Cassandra liep er rondjes over en keek uit over het parklandschap om het kasteel en het bos daar voorbij. Intussen dacht ze over haar huidige situatie na. Er waren sinds haar gesprek met Dimon alweer een paar uur verstreken. Recht onder haar keek ze uit op de binnenplaats van het kasteel. Ze zag daar mannen heen en weer lopen tussen de donjon en het poorthuis, en af en toe ging er even iemand naar de stallen. En op de kasteelmuur zag ze andere mannen de wacht houden. Het zag er allemaal heel gewoon uit, alleen maakten de wachters en de mannen op de binnenplaats geen deel uit van het kasteelgarnizoen. Het waren mannen van Dimon. En de zware muren van kasteel Araluen boden uitstekende bescherming tegen aanvallen van buitenaf. Zelfs als Arnaut en Gilan nu met hun eenheid kwamen aanrijden, hadden ze geen schijn van kans om het kasteel in te komen. Ze steunde op de ruwe stenen omheining van het balkon en zuchtte. Ze wist even niet hoe het verder moest. Zij en haar manschappen waren voorlopig wel veilig, maar ze konden ook geen kant op – laat staan dat er een mogelijkheid voor ze was om de indringers uit het kasteel te verdrijven. Dimon en zijn mannen waren in de meerderheid. Dat zij met haar eenheid kon overleven lag uitsluitend aan de slimme manier waarop het kasteel ooit was gebouwd. Waar was Maddie? De vraag bleef zich maar in haar hoofd herhalen. Ingrid had het vermoeden uitgesproken dat ze buiten het kasteel was. Maar waar? En wat was ze aan het doen? Cassandra pijnigde haar hersenen. Was er een manier om met haar in contact te komen? Als Maddie buiten het kasteel was en als Cassandra een bericht aan haar kon overbrengen, kon ze naar het noorden gaan en Arnaut voor de huidige toestand waarschuwen. Cassandra wist zeker dat Maddies Jagerspaard Bumper ergens buiten het kasteel was, op een boerderij waar Gilan een tijdelijk onderdak voor hem had geregeld. Als Maddie daar wist te komen, kon ze binnen drie dagen bij de Wezel zijn. Als, als, als, dacht ze. Maar al zou Maddie de Wezel bereiken, wat moest ze dan? Misschien was Arnaut wel dood. En als er in de woorden van Dimon ook maar een greintje waarheid zat, waren Arnaut en Gilan in elk geval ergens in een fort door een grote troepenmacht omsingeld. Hoe konden ze onder die omstandigheden uitbreken? En als dat mocht lukken was er altijd nog het probleem om kasteel Araluen binnen te komen. Maar dan zou hij in elk geval in de buurt zijn. En zijn aanwezigheid had altijd iets geruststellends. Bovendien kon hij, als hij weer vrij was, vanuit het omliggende gebied een leger op de been brengen. In geval van oorlog werd hun tamelijk kleine garnizoen aangevuld met manschappen van de boerderijen en de dorpen in de omgeving. Zo’n mobilisatie zou wel wat tijd kosten – een week of twee, dacht Cassandra – maar dan zou hij ook een troepenmacht op de been hebben die Dimon serieus in de problemen kon brengen. Maar telkens weer diende zich dezelfde onvermijdelijke vraag aan. Al bracht Arnaut duizend man op de been, dan nog was er het probleem dat ze het kasteel niet in konden komen. Dat was sinds mensenheugenis geen enkele aanvaller gelukt. Zelfs Morgarath had, toen hij tegen haar vader in opstand was gekomen, het kasteel links laten liggen. Zij zat met haar manschappen gevangen in de toren, maar liep geen groot risico dat Dimon en zijn mannen zouden aanvallen. Dimon en zijn eenheid zaten op hun beurt gevangen in het kasteel, maar hoefden daar weinig te vrezen van Arnauts strijdkrachten. En dan was er natuurlijk de kwestie die haar meer dan welke andere ook bezighield: waar was Maddie? Het scenario dat ze net voor zichzelf had uitgedacht stond of viel met contact tussen Cassandra en haar dochter, en Cassandra had geen idee hoe ze dat moest leggen. Ze hoorde voetstappen achter zich op het balkon. Ze draaide zich om en zag een van de boogschutters gehaast salueren terwijl hij naar haar toe holde. ‘Vrouwe, sergeant Merlon zegt dat u onmiddellijk moet komen,’ zei hij, en hij klonk bloedserieus. Ze liep naar de deur die terug de toren in leidde. ‘Wat is er aan de hand?’ vroeg ze. Ze begreep het niet. Dimon had haar een dag de tijd geboden om over zijn aanbod na te denken. Ze verwachtte niet dat hij iets zou proberen voordat ze hem antwoord had gegeven. Ergens in zijn aanbod school de mogelijkheid van een wapenstilstand. Maar ze besefte, niet voor het eerst, dat Dimon niet te vertrouwen was. ‘Merlon weet het niet precies, vrouwe. Maar er is iets aan de hand in het trappenhuis. We horen dat ze ergens mee bezig zijn. Er wordt daar druk gefluisterd – en het klinkt alsof ze iets zwaars naar de opening in de trap toe slepen.’ Ze haastte zich de ladder af en liep naar de trap. Merlon en vier anderen, allemaal boogschutters, stonden verdekt opgesteld achter de bocht boven de onderbreking van de trap. De sergeant zag haar aankomen en legde een vinger op zijn lippen. ‘Wat is er aan de hand, Merlon?’ vroeg ze fluisterend. Hij wees naar beneden, naar de rand van de opening. ‘Luister maar, vrouwe,’ zei hij zachtjes. Ze ging de bocht in de trap om en spitste haar oren. Van beneden weerklonken gejaagd fluisterende stemmen, die hol door het trappenhuis weerkaatsten. Ze kon niet verstaan wat er precies werd gezegd, maar de toon was ontegenzeggelijk opgewonden. Af en toe praatte iemand wat harder, wat onmiddellijk tot een streng gesis om stilte leidde. Ze trok zich weer terug de bocht om, maar bleef wel langs het ruwe gesteente door het trapgat naar beneden kijken. ‘Er is daar iets aan de hand,’ zei Merlon zachtjes, met zijn mond vlak bij haar oor. ‘Ze hebben een plan.’ Ze knikte fronsend. Dat er iets gebeurde was wel duidelijk, ja. Maar wat hun plan nou precies was? Ze stak een hand op om de sergeant tot stilte te manen. Ze hoorde nu een ander geluid. Het klonk alsof er een zwaar houten voorwerp de stenen trap op werd gesleept. Ze hoorde op de trap nu langzame, voorzichtige stappen – en af en toe wat gekreun van de inspanning. Ze draaide zich naar haar boogschutters. ‘Bereid je voor.’ Ze knikten. Ze hadden allemaal al een pijl in hun boog liggen. Ze deed weer een stapje de bocht om, zodat ze beter zicht had. Merlons bezwaar wuifde ze makkelijk weg. Op de trap beneden was geen mens te zien. Ze zag de onderbreking met daaronder het gapende, diepe gat, en beneden de eerste drie of vier treden. Verder niets. Maar het geluid van een voorwerp dat voortgesleept werd hield aan en werd met de minuut luider. Na een tijdje hield het ineens op en hoorde ze opnieuw gefluister. Ze maakte even oogcontact met een van de boogschutters en gebaarde naar de deur die toegang tot de achtste verdieping bood. ‘Haal meer manschappen,’ zei ze. ‘En neem zes pieken mee.’ De man salueerde en haastte zich om haar bevelen op te volgen. Zelf richtte ze haar aandacht nu weer op de trap. Het slepende geluid was weer begonnen, maar klonk nu een stuk dichterbij. En toen zag ze de oorzaak ervan. In het trapgat verscheen een dikke rechthoekige houten plaat, als een beweegbare muur. Erachter duwden mannen het gevaarte omhoog. De constructie bestond uit brede planken die op een houten frame waren bevestigd, en het geheel blokkeerde vrijwel de hele opening. De mannen erachter moesten het bouwsel scheef houden om de trap op te komen. De platen waren ongeveer anderhalve meter hoog, en zowel aan de boven- als de onderkant was nog een strook van ongeveer twintig centimeter open. De mannen waren bijna helemaal aan het zicht onttrokken, maar er verscheen wel regelmatig een hoofd boven de rand om te zien hoe ver ze gevorderd waren. Cassandra richtte zich tot de drie overgebleven boogschutters: ‘Zodra je iemand ziet, schiet je hem neer.’ Ze knikten. Er kwam even een hoofd boven de plaat uit. Iemand wilde blijkbaar zien waar ze naartoe onderweg waren. Een van de boogschutters schoot onmiddellijk een pijl op hem af, maar het hoofd verdween ook weer snel, waardoor de pijl in het niets verdween tot hij ver beneden onder krassend lawaai van metaal op steen op de muur afketste. Ze hoorde iemand die op het nippertje aan de dood was ontsnapt vloeken. Cassandra begreep het niet goed. De houten plaat kon Dimons mannen wel tegen de pijlen en pieken van haar manschappen beschermen, maar de afstand tussen de twee trappen kon hij er niet mee overbruggen. Daarvoor was die plaat veel te kort. Ze keek nog eens goed en zag dat er midden op de plaat twee scharnieren zaten, en na een nog verdere inspectie stelde ze vast dat er een luik van ongeveer een meter breed in was aangebracht. Als de plaat eenmaal op zijn plek stond, konden degenen erachter dat luik openmaken. Maar wat dan? De houten constructie stopte op een meter van de rand van de trap. Rechts ervan was een van de duwende en sjouwende mannen onvoorzichtig geworden. Zijn gehelmde hoofd stak een stukje boven de haastig in elkaar getimmerde houten wand uit. Zo’n helm was een slecht doelwit voor boogschutters, want de pijlen ketsten er te makkelijk op af. Haar slinger was echter een ander verhaal. Ze legde er een kogeltje in, draaide hem een paar keer boven haar hoofd, deed één stap naar voren en vuurde af. Het loden balletje sloeg met een galmende tik tegen de helm. De man wankelde achteruit en viel met een boel lawaai de trap af. Ze hoorde iemand opgewonden roepen. ‘Zorg in godsnaam dat ze jullie niet zien! Ze heeft een slinger!’ Geen van de anderen stak ook maar een haar boven de houten plaat uit. Ze hoorden meer schuiven en kraken van hout en langzaam maar zeker schoof er een plank van ongeveer een meter breed onder de plaat vandaan. Die moest als brug tussen de twee delen van de trap dienst gaan doen, begreep ze. ‘Duw hem terug!’ gebood ze. Haar mannen kwamen naar voren, met lange pieken in de hand, en probeerden de plank terug te duwen. Maar ze waren al te laat. De provisorische brug had de afstand al gedicht en lag op de aansluitende tree boven. Ze zag dat er aan de onderkant een dwarsbalk tegenaan gespijkerd zat. Die was over de rand van de trap gevallen en hield de brug nu op zijn plek, hoe hard ze er ook tegen duwden. Merlon raakte even haar arm aan. ‘Rook, vrouwe!’ zei hij. ‘Ik ruik rook!’ Ze ademde een paar keer door haar neus in en rook het ook. Van beneden steeg vettige lucht van rook op. Ze fronste haar voorhoofd. De trappen waren van steen, die zouden geen vlamvatten. Dus wat was… Bij wijze van antwoord werd er over de houten plaat heen een voorwerp naar boven gegooid. Het liet een dunne rooksliert achter, overbrugde de kloof en kwam vlak voor haar voeten stil te liggen. En meteen daarna volgden er nog twee soortgelijke projectielen. Het waren ronde potten van aardewerk, begreep ze, en er zat een mengsel van olie en pek in – en een brandende lont. Zodra de pot op de stenen kapot sloeg zette de vlam van de lontjes het brandende mengsel in lichterlaaie, en dat gaf een wolk van donkere, stinkende rook af, die binnen de kortste keren het hele trappenhuis vulde. Haar manschappen stonden al snel te hoesten en te proesten en ze voelde hoe haar ogen begonnen te tranen. ‘Ze gaan in dat rookgordijn oversteken!’ waarschuwde ze. ‘Let goed op!’ Ze draaide zich naar Merlon, die met een van die nutteloze pieken naast haar stond. Ze waren in elk geval nutteloos als het om het wegduwen van de vervangende brug ging. Ze konden er natuurlijk nog wel mannen mee tegenhouden die de brug over probeerden te komen. ‘Doe boven de deur open!’ riep ze. ‘We moeten de rook eruit laten!’ Met haar betraande, geïrriteerde ogen zag ze vaag dat het luik in de plaat langzaam naar buiten toe open ging. Ze legde nog een loden balletje in haar slinger en begon met het wapen te zwaaien. Door een haag van tranen en rook zag ze iemand in de opening gaan staan en de brug op lopen. Zijn bovenlichaam ging schuil achter een groot schild en in zijn rechterhand droeg hij een speer.